In een leslokaal van de Volkshochschule in Bocholt klinkt op de zaterdagochtend geen Duits, maar Nederlands. Van 8.30 tot 13.30 uur wordt er geluisterd, gepraat, gelachen en vooral geoefend. Intensieve cursussen Nederlands zitten hier vol. Geen toeval, maar een teken dat de Duitser alle reden heeft het Nederlands onder de knie te krijgen.
De economische verwevenheid tussen Nederland en Duitsland groeit, zeker in de Rijn-Waalregio en het Westmünsterland. Handel, zorg, logistiek en toerisme steken dagelijks de grens over. Toch blijft taal een hardnekkige drempel. “Nederlands is hier allang geen hobby meer”, zegt Fatma Boland van de Volkshochschule Bocholt. “Het is een praktische vaardigheid geworden, vaak doorslaggevend in het beroepsleven”.
Die beroepsmatige insteek verklaart mede het succes. Steeds vaker volgen deelnemers de cursus tijdens zogeheten Bildungstage: vijf doorbetaalde werkdagen per jaar waarop werknemers en ook mensen met een uitkering mogen investeren in hun eigen ontwikkeling. “Het educatief verlof maakt intensieve scholing haalbaar”, aldus Boland. “En werkgevers zien het nut: inmiddels komt ongeveer de helft van de inschrijvingen rechtstreeks via bedrijven”.
In de klas zit een bont gezelschap. Connie, die een aantal jaren geleden vanuit het Ruhrgebied naar Barlo verhuisde, is “verliefd op de Nederlandse cultuur”. Ze wil musea bezoeken, het Sinterklaasfeest begrijpen en noemt haar lievelingswoord met een glimlach: ‘smaaksensatie’.
Beate werkt in een kledingwinkel in het centrum van Bocholt. “Ik heb veel Nederlandse klanten onder de veertig. Die spreken geen Duits meer”, zegt ze nuchter. “Dan vind ik het gemakkelijk als ik Nederlands kan spreken. Dat gaat boven Engels, dat we allebei wel spreken. Nederlands kunnen spreken betekent gevoel voor de regio hebben”.
Sabrina, jonge moeder, verwoordt het bijna moreel: “Als Duitser in deze regio vind ik dat ik Nederlands moet kunnen, net zoals Nederlanders vaak Duits spreken”.
De man die hen aan het praten krijgt, is docent Peter Stein, Nederlander en actief op meerdere Volkshochschulen in de grensstreek. Zijn aanpak is streng maar ontspannen. Tijdens de pauze blijft de voertaal Nederlands. “Duitsers willen het graag perfect doen”, zegt hij. “Maar in het dagelijks leven mag je losser zijn; ‘lockener’, zoals Nederlanders zijn en wat Duitsers in ons waarderen. Als je durft te spreken, win je enorm”.
De nadruk ligt op luisteren, woordenschat en korte gesprekken die meteen toepasbaar zijn. Basisgrammatica ondersteunt, maar domineert niet. Regelmatig hoort bij de cursus een excursie naar Nederland. Daar moeten cursisten het gewoon doen: koffie bestellen, de weg vragen, een praatje maken. “Dat haalt spreekangst weg”, aldus Boland. “En het rendement is duurzaam”.
Opvallend, vindt Stein, is dat de interesse eenzijdig lijkt. “Wij merken hier meer Duitse motivatie voor Nederlands dan andersom”. Juist daarom ziet Bocholt kansen. De Volkshochschule wil het aanbod verder uitbreiden, met vervolgcursussen en meer educatief verlof. De ervaring deze zaterdagochtend is dat de regio ineens een stuk groter voelt, wanneer ‘buitenlandse buren’ de taal van elkaar spreken.