“Dit jaar valt het nog mee en maak ik er ‘maar’ twee, maar daar ben ik ook druk zat mee”, zegt Wolsink. De verengingen komen met een eigen idee naar de studio in Braamt toe. “En dan gaan we stap voor stap met het nummer bezig. Iedere zanger moet het geheel drie keer inzingen, als dat gedaan is begint voor mij het echte werk”, zegt de zanger. Hij is toch wel een aantal uurtjes druk met een carnavalskraker.
“Maar dat doe ik graag, ik vind het ook leuk”, aldus Wolsink. Hij hoopt de drempel voor het maken van een eigen nummer te verlagen: “Ik weet nog van toen ik ooit begon, hoe duur het is om in een echte studio iets op te nemen. Zeker als er bijvoorbeeld van de zes zangers, er maar twee een beetje kunnen zingen. Voor mij is het juist gein om daar lekker mee aan de slag te gaan en zo die jongens te helpen.”
‘Iedereen kan een carnavalshit maken’
Hoewel de Braamtse zanger graag meewerkt aan nieuwe hits, zegt hij ook wel eens ‘nee’. “In principe kan iedereen een carnavalshit maken, maar het helpt wel als je een klein beetje kunt zingen”, zegt hij. “Ik heb één keer nee gezegd. Ik kan heel veel in de bewerking na de tijd doen, maar soms ga je het té veel horen, dan moet ik gewoon eerlijk zijn en het niet doen.” Op de meeste platen hij zelf ook te horen: “Dan zing ik bijvoorbeeld een tweede stem in, om het net iets meer body te geven.”
Gouden formule
Wat Wolsink betreft moet een goede carnavalskraker aan een paar dingen voldoen: “Het nummer moet uit drie akkoorden bestaan en het moet een hoog ‘la, la-gehalte’ hebben.” De manier waarop het nummer gepresenteerd wordt is volgens de zanger dan ook belangrijker dan de kwaliteit van de zang. “Als je het goed brengt en de tekst en melodie blijven hangen, dan ben je al een heel eind”, zegt hij.
Vol spanning
Twee van zijn nummers, ‘Wat ook de reden is’ van de senaat van Iseldonk en ‘Carnavalsweekend’ van de raad van elf, doen 5 februari mee aan het Kachelhöltjes carnavalskrakergala. “Ik hou natuurlijk wel altijd in de gaten hoe de nummers het doen, als ze hoog eindigen is dat natuurlijk wel leuk”, zegt Wolsink. Of hij zelf ooit nog meedoet? “Ik heb een paar keer meegedaan, en dat deed toen flink wat stof opwaaien. Maar wie weet, als er weer iets moois voorbij komt ben ik er.”